Robert M. Pirsig – Zen en de kunst van het motoronderhoud (samenvatting)

Deze roman gaat over een man die op zijn motor door Amerika rijdt, samen
met zijn zoontje Chris. Tot het midden van het boek rijden ook hun vrienden op een motor mee, Sylvia en John. Voortdurend lezen wij hoe de verteller lekker geniet van de omgeving in Amerika, op de zijweggetjes, met zijn zoontje, kortom wat hij allemaal beleeft. Tussen die stukjes door, lezen wij de hersenspinsels (?) van de verteller. Eigenlijk kan ik wel stellen, dat de beschrijvingen van zijn motorreis ‘tussen’ het verhaal door zitten, en niet andersom. Want het overgrote deel, en de essentie van deze roman, zijn de verhandelingen over filosofische waarden als Kwaliteit, die uiteindelijk allemaal samenvoegen tot een geheel waar men over zou kunnen zeggen: dat heeft inderdaad iets te maken met ‘Zen en de kunst van het motoronderhoud.

Het boek heeft iets te maken met gemoedsrust, veeleer focust het op een gemoed, een mentale rust tijdens het ‘produceren’, dan op de kwaliteit van het product – die altijd goed zal zijn als het gemaakt is met ‘mentale rust’. Pirsig legt via zijn hoofdpersoon nieuwe theorieën op tafel, die de werkelijkheid zoals wij die kennen, volledig anders indeelt. Het is daarnaast een soort kritiek op het huidige onderwijs, en leren volgens strikte regels en voorschriften, mensen imiteren. Kunst moet een product van hartstocht zijn, en niet van planningen en rationeel denken. Dat is een samenvatting. Een hééle korte, weliswaar.

“Wat is Kwaliteit?”

De hoofdpersoon vertelt namelijk het verhaal van Phaedrus, de persoon die hij vroeger was (zo leren wij na een tijdje). Die Phaedrus was een razend intelligente persoon die in de eerste instantie ‘het spook van de rede’ achterna zat. Hij studeerde filosofie, allerleide dingen, ging naar het oosten… Hij kwam tot de conclusie dat alle filosofen uit het westen filosofen van de rede waren, en hij kreeg afkeer voor hen. Dat is een soort inleiding van Phaedrus’ verhaal. Maar natuurlijk gaat het verder. Phaedrus krijgt op een gegeven moment, wanneer hij als professor werkt aan de universiteit de vraag van zijn collega, die onbeduidend lijkt: Wat is Kwaliteit? Wij ervaren het allemaal, maar wat is het? En dit is waar de rest van Phaedrus’ verhaal over gaat, totdat hij krankzinnig wordt en naar een kliniek gaat. Jaren later (hoeveel precies weten we niet), is de voormalige Phaedrus een ander persoon geworden. Hij is het nu, die de motortocht maakt. En tussendoor lezen wij allerlei beschrijvingen van het landschap, etc. etc… – en dan geraakt de hoofdpersoon ook langzaam krankzinnig.

Phaedrus is eerst een ‘normale’ natuurwetenschapper, maar dan opeens bedenkt hij meer hypothesen, dan dat hij zou kunnen testen op diens waarheid. Hij maakt een ommezwaai naar de cultuurwetenschappen, en gaat zo algemeen en hoog mogelijk zitten, probeert de werkelijkheid in te delen, en uit te leggen. Aanvankelijk probeert hij dat te doen met de essentiële tweescheiding in de menselijke opvatting van de werkelijkheid: klassiek en romantisch. Iemand die klassiek ingesteld is, kijkt naar de onderliggende vorm van iets, de regels die erachter zitten, de dingen, waaruit het geheel is opgebouwd. De persoon die romantisch is ingesteld, kijkt niet naar de onderliggende vorm, maar fixeert zich op de aard van het geheel wat hij aanschouwd. Dit onderscheid komt steeds weer terug in het verhaal, zij het dan in andere terminologie.

Later, zoals eerder verteld, gaat Phaedrus steeds dieper in op ‘wat is Kwaliteit’? En hij komt tot een monistische opvatting van de werkelijkheid, waar Kwaliteit bovenaan staat en waarmee alles begint. Dan pas komen de gangbare scheidingen in de filosofie, objectief-subjectief, etc… Kwaliteit staat boven alles, redeneert Phaedrus. We legen nauwgezet hoe Phaedrus met dat soort vragen in de knel zit, en zich er als een zeer bijzonder persoon uit probeert te helpen. Hij zoekt naar mensen die hetzelfde dachten als hem, en later in het boek, richting het einde, gaat het over de oorspronkelijke Griekse filosofie (voor Plato etc.), tijdens de tijd van de Sofisten. Want in die mensen kan Phaedrus zich vinden. De sofisten, die retoriek onderwezen, geloofden in arete, algemene voortreffelijkheid, in alles, een afkeer voor doelgerichtheid, ofwel doelgerichtheid op ‘het leven’. Toen kwam Plato, en met hem Aristoteles, die de didactiek voorop stelden en alles met hun tweescheidingen naar de gallemiezen hielpen, waardoor wij westerse mensen er nu diep van overtuigd zijn dat alles in tweeën kan worden gesplitst; ja-nee; 1-0. Maar er is veel meer. In het Japans is er: ja, nee en mou. Bijvoorbeeld. Nee, het boek leert ons veel over de Griekse filosofie, überhaupt over filosofie, en doet mij beseffen dat alles, waar wij nu zo van zijn overtuigd, ook gewoon iets is, wat bedacht is, door een paar Griekse kerel. Er bestaan andere overtuigingen.

Elk hoofdstuk is een andere levensles, 
een filosofische verhandeling, die ze zelf een “Chautauqua” noemen

De verhaallijn van de verteller met zijn zoon, en de filosofische verhandelingen die de verteller behandeld (die hij, elke dag weer, Chautauqua’s noemt, Indiase terminologie voor lessen), lopen in elkaar over, en je ziet de overgang slechts in de witregels tussen alinea’s. Aanvankelijk vermengen deze Chautauqua’s de eerste keer met het verhaal, als de verteller uitlegt dat John het diep haat om met zijn motor bezig te zijn, terwijl hij zelf juist heerlijk sleutelt aan zijn motor. Hij begint uit te leggen dat John romantisch zou kunnen zijn ingesteld, en zich niet wil bekommeren om de onderliggende vorm. Dan gaat hij door over technologie – dit vond ik heel herkenbaar. Hij stelt dat veel mensen bang zijn voor technologie, maar zegt dat de mensen eigenlijk bang zijn voor het feit dat de ‘romantiek’ verdwijnt en de ‘klassieke vorm’ alleen maar overblijft. Ook wetenschappen werken louter met ‘feiten’ en klassiek. Daar begint dit boek een beetje mee. Het valt nog te begrijpen.

Dan vervolgt de verteller zijn denkweg, en uiteindelijk dwalen wij in zijn Chautauqua’s weg, naar alles en nog wat… Letterlijk alles, omdat wij ons bezig houden met de meest fundamentele manieren van denken en de aard van de werkelijkheid. Rond het midden van het boek begint het mij werkelijk te dagen, wat die terminologie nu allemaal inhoudt, waar Phaedrus heen wil met zijn opvatting van Kwaliteit (wat hij niet te definiëren vindt), en tot slot, wat de verklaring is voor de titel. Want op een gegeven moment besef ik mij, dat het punt wat Pirig met dit boek wil maken, het volgende is: De werkelijkheid is één ding, alles is één, het Ene. Om zelf één te worden met de werkelijkheid, moet je alle opvattingen van dualisme wegnemen. Je moet jezelf zien als één met het werk wat je verricht. Je moet ‘Zen’ zijn en een onbezwaard gemoed hebben. Dát is hoe je motoronderhoud doet, en zo lever je ‘Kunst’. En hoe wordt je dat éne? Wel, je moet zowel klassiek als romantisch denken, dat wil zeggen, je moet weten hoe iets werkt, en je moet je eigen vorm vinden, je hartstochtelijke staat. En het belangrijkste: je moet Zen zijn, je moet het onbezwaarde gemoed hebben, arete… Als je dat kan bereiken, is alles wat je produceert goed. Het is ongeveer hetzelfde als heel geduldig zijn, elke losse taak duidelijk zien, niet voor het einddoel gaan maar voor perfectie, dat soort zaken. Zo ontstaat Kwaliteit. Zo bén je kwaliteit. En dat is het geheel, de werkelijkheid. Ik weet niet precies of ik het zo goed heb uitgelegd, maar het is niet anders. Je zou het boek moeten lezen.

Conclusie – een atypisch maar filosofisch boek

Het boek is niet zo’n typisch filosofisch werk, waar de gedachten en opvattingen van de schrijver zin na zin worden uitgelegd en worden onderworpen aan een afweging. Het is veeleer een soort voorgenoemde Chautauqua, een leerweg, een lang verhaal, waarin je als lezer langzaam kennis maakt met de manier van denken die de schrijver hanteert. Gedurende het boek begon ik met terugwerkende kracht steeds meer dingen te begrijpen… Ik heb nooit een definitie van ‘kwaliteit’, ‘klassiek’ en ‘romantisch’ gekregen, maar door het lezen van dit boek een zeer volledig inzicht gekregen in de opvatting van de schrijver over die zaken en die woorden. Dat is hoe dit boek op mij overkwam. Bovenal is dit voor de schrijver en de hoofdpersoon zelf ook een onderzoek naar waarden, en niet alleen voor de lezer die ermede kennis maakt. Het boek gaat erg diep, heel erg diep, en het gaat vrijwel over alles. Dat maakt het zo intrigerend. Die kwaliteit, dat ene, wat alles omvat… Het wordt onderzocht. En als je het totaal begrijpt, volledig, geraak je krankzinnig… Sommige mensen noemen dit boek ‘de bijbel van de werkelijkheid’, de bijbel van alles. Ik denk dat dit boek heel erg nodig was in deze maatschappij, en wellicht niet genoeg wordt gelezen. Het afwijzen van het huidige onderwijs en de academies, het afwijzen van de gang van zaken omtrent de technologie, de kapitalistische moraal, de typische liberale ziel, of die van de wetenschapper. Dat wordt verhandeld in dit boek, ‘de praktische kant van de zaken tenminste’.

Laat een reactie achter