J.-K. Huysmans – Tegen de keer (samenvatting)

Met dit boek laat Huysmans ons zien hoe knettergek en doorgedraaid romantici in de literatuur kunnen zijn. Dit boek wordt ook wel “De bijbel van de decadentie” genoemd.

Volledige samenvating per hoofdstuk van Joris-Karl Huysmans – Tegen de keer

Inleiding van het boek

Dit verhaal begint met een inleiding. Hierin wordt de expositie van het verhaal aan de lezer overgebracht. Allereest hoezeer het sterke heersersgeslacht Des Esseintes is verwijfd tot een zwakke familie, en nu slechts één telg over is: Jean des Esseintes. Dit is een naturalistisch aspect. Er wordt in de inleiding veel uitgelegd over het leven van Jean – die verder in het boek alleen nog maar wordt aangeduid met ‘Des Esseintes’, en eigenlijk de enige echte personage is in het gehele boek. Zijn jeugd was slecht, en hij voelde weinig binding met zijn ouders. Op de jezuïetenschool blonk hij uit in Latijn, maar hij kende geen woord Grieks, en ‘legde een volledig onbegrip aan de dag, zodra men probeerde hem de eerste beginselen van de natuurwetenschappen bij te brengen.’ (p.31). Jean was een zeer in zichzelf gekeerde jongeman, die altijd maar dezelfde gedachtestromen doorliep, om ze te verfijnen, en mijmerde lang in eenzaamheid. Uiteindelijk moet hij weg van de jezuïetenschool, en leeft een tijd rond leeftijdsgenoten, waarvan hij diep verbitterd raakte. Daarna heeft hij zich, decadent, onderworpen aan een leven waarin hij zijn zintuigen tot het uiterste prikkelde: met veel vrouwen naar bed, veel eten, etc. etc. – totdat hij praktisch impotent en gevoelloos werd, gedoemd tot verveling. Hij besluit te verhuizen en de maatschappij te verlaten.

“Eén passie, de vrouw,
had hem nog kunnen
weerhouden van de wereldwijde
verachting die in hem groeide…” –p.36

Hoofdstuk 1

Des Esseintes twijfelt hoe hij zijn nieuwe huis moet inrichten in Fontenay, en wijdt uit over de uiterst decadente inrichting van zijn oude huis, Chateau de Lourps. Bovendien lezen we hier, dat Des Esseintes een overtuigd romanticus is, als hij begint over zijn oude huis:

Hoofdstuk 2

Enkele verhandelingen over de zaken in zijn nieuwe huis. Denk aan kamers, inrichting, etc. 

Hoofdstuk 3

Dit is het eerste hoofdstuk waar ik echt enthousiast over werd, en herkende in mijn eigen roman. Des Esseintes gaat ons meenemen in zijn boekenkast, en begint bij het begin: de zogenaamde ‘gouden’ eeuw van Latijnse kunst. Vergilius, Ovidius, Cicero, Caesar. Voor alle schrijvers heeft hij andere kritiek, maar alleen heeft hij een pesthekel aan. Vergilius schrijft houterig, Ovidius idem, Cicero is veel te vettig en nietszeggend met zijn lange volzinnen, en Caesar is behoorlijk geconstipeerd. Een schrijver die hij wel erg bewonderd, is Petronius, die de Satyricon schreef: zijn scherpzinnigheid, beschrijven van de burgers, etc.. Hij wijdt uit over nog een groot aantal schrijvers, ook uit de middeleeuwen, die mij minder zeggen. Uiteindelijk, stelt hij, gaan de Latijnse teksten over in Christelijke boekwerken.

Hoofdstuk 4

In hoofdstuk 4 komt een juwelier op bezoek in Fontenay. Des Esseintes laat hem binnenkomen, en herinnert zich plots waarom hij deze juwelier hierheen heeft laten komen (hij is niet erg van het plannen): hij had een Perzisch tapijt gekocht, en om de zilveren gloed van dit tapijt beter te laten uitkomen, later een donkere, beweeglijke schildpad. Het viel echter tegen en daarom moest de schildpad maar een gouden schild krijgen. Zo gezegd, zo gedaan. De juwelier was er nu om het gouden schildpadschild tevens in te leggen met edelstenen. Hierna volgt een lang stuk over de verschillende specifieke soorten edelstenen, hun symboliek en eigenschappen (p.78-82). Daarna gaat het stuk door over drank. Des Esseintes is gelukkig met zijn rood fonkelende schildpad, en vertelt nu dat elke likeur of drank overeenstemt met de klank van een instrument:

“Toen dat alles voor hem vaststond, had hij, dankzij erudiete experimenten, het zover gebracht dat hij op zijn tong zwijgende melodieën en stille treurmarsen in grote bezetting kon spelen en in zijn mond creme-de-menthe-solo’s, rum- en vruchtenlikeur-duetten beluisteren.” –p.85

Huysmans doet het er ook om, ik bedoel, de hele zaak is regelrechte onzin natuurlijk. Enfin, dan gaat Des Esseintes verder, en wordt herinnert aan een pijnlijk moment waarop hij enorme kiespijn had en naar een goedkope tandarts ging. Toen hij uit zijn mijmeringen ontwaakte, merkte hij dat zijn schildpad was gestorven onder de last van de juwelen. (p.89)

Hoofdstuk 5

Des Esseintes koestert diepe afkeer voor alles uit zijn eigen tijd. Hij geeft een paar voorbeelden van verachtelijke schilderijen. Daarna begint een lang stuk over zijn favoriete schilder, Gustave Moreau (p.90-99). Een aantal bladzijden later gaat het over Jan Luyken, met zijn lugubere ‘Godsdienstige vervolgingen’. Er komen diverse andere kunstschilders in dit hoofdstuk voor, als: Odilon Redon, Goya’. In dit hoofdstuk lijkt Huysmans wel te pronken met zijn kennis over de schilderkunst; als ware het informatie die hij met niemand kan delen, alleen met het schift. Hetzij dat deze bladzijden los van de stijl en persoonlijke opvattingen, in principe in een bijlage kunnen worden gezet op Wikipedia org.

Hoofdstuk 6

In dit hoofdstuk herleeft Des Esseintes een oud verhaal over ene Auguste Langlois, in een soort droomstaat. Het beslaat slechts pagina’s 108-115. Vaag stuk. 

Hoofdstuk 7

Des Esseintes geraakt in diepe melancholie en neurotische buien, na het herleven van het verhaal over Auguste Langlois. Het komt erop neer dat zijn verblijf in Fontenay de oorzaak is voor een opkomende neurose en psychische krankzinnigheid. Hieruit komt later ook de clue van dit boek. Hij begint op pagina 127 ook weer te zeuren over Schopenhauer en het Christendom.

“Sinds de nacht waarin Des Esseintes zwaarmoedig peinzend en ogenschijnlijk zonder reden aan Auguste Langlois had gedacht, beleefde hij zijn hele bestaan opnieuw. Hij was nu niet in staat ook maar één woord te begrijpen van de boeken die raadpleegde; zijn ogen konden zelfs geen letters meer onderscheiden en het leek wel of zijn geest, verzadigd door literatuur en kunst, weigerde nog meer in zich op te nemen.” –p.116, H7

Hoofdstuk 8

Een hoofdstuk over planten en hun betekenis. Des Esseintes kwijnt weg in nachtmerries

Hoofdstuk 9

Enigszins vage tekst over een vrouw die hem voorleest over een mannelijke
vrouw, Goya komt terug, je weet niet wat je moet met zo’n onbetrouwbare verteller. Een erg bijzonder hoofdstuk, die lijkt op een nachtmerrie.

Hoofdstuk 10

Dit hoofdstuk gaat over parfum en geuren, maar meer specifiek over Des Esseintes’ reukhallucinaties. Hij is korte tijd verlost van zijn neurose als hij opeens last krijgt van reukhallucinaties. En zoals in elk ander hoofdstuk wordt ingegaan op de betekenis en symboliek van planten en dergelijken.

Hoofdstuk 11

Bezweken onder de reukhallucinaties stort Des Esseintes in en zijn bedienden brengen hem naar een verzorgingstehuis. Het gaat ook (p.188) over zijn reis naar Nederland.

“Waar was het tenslotte goed voor om nog een stap te doen als men zulke schitterende reizen kan maken vanuit een stoel?” –p. 190

“Hij had een immense afkeer voor de
reis en de dwingende behoefte om te
blijven waar hij was” –p. 190

Hoofdstuk 12

Des Esseintes gaat zijn boekenkast herorganiseren. Dit hoofdstuk gaat hij dan ook diep in op Baudelaire (waarvan hij een werk persoonlijk heeft laten inbinden in Japans vilt etc., p. 194), christenschrijver Ozanam, Markies de Sade maar op het eind en door het hele boek eigenlijk heen ook enorm veel Barbey D’Aurevilly. De verteller is aardig helder en scherp in zijn aantijgingen en kritiek, ondanks de vermeende neuroses. Het is maar net of het Huysmans allemaal goed uitkomt, ondanks dat juist hij als zware romanticus, zal betogen dat de context van Groots belang is in het leven, etc.. Als je romanticus bent kan je heel veel fout doen, en je altijd verschuilen achter de Natuur. Dat is natuurlijk altijd fijn. Overigens moet ik opmerken dat een boek als deze onleesbaar kan zijn als iemand niks weet van de aangehaalde schrijvers. Wat moet je dan met namen als Barbey D’Aurevilly. Ook voor mij vormde dit een probleem. Het boek is in dat opzicht niet tijdloos. In dit hoofdstuk laat Huysmans ook een tintje zien van zijn tragikomische ironie. In onderstaand citaat bolt het van de zwarte humor natuurlijk:

 “‘Oh, wat een mooie manestraal die op het
evangelie valt, waarin ik juist lees!’ […] ‘Als ik zie dat een man, die langs een kruis loopt, een kruis
slaat of zijn hoed afneemt, zeg ik bij mezelf: daar gaat een christen.’”–p. 201

Hoofdstuk 13

De neurotische aanvallen nemen nu zware gestalten aan. Mooi beschreven op p.221. Als hij eindelijk een stoel heeft gevonden om in te zitten, die eigenlijk nog steeds niet lekker zit, begint hij na te denken over Parijs (p.230-234), hoe slecht de jeugd is, dat het een stad vol bedrog is, etc.

Hoofdstuk 14

Des Esseintes laat een zeer duur apparaat kopen (‘sustenteur’) om zijn buikkrampen te beteugelen door het drinken van het zoute kookvocht van rosbief. Dit werkt tijdelijk. Dan gaat het een heel stuk over Franse literatuur, maar ook over E.A. Poe. Vooral dus romantische literatuur. Lang stuk over Flaubert.

Hoofdstuk 15

De sustenteur-behandeling wordt afgebroken, een gedachtenstroom over muziek ontwikkelt zich: gregoriaans, wagner, schubert, alles komt voorbij. Tot slot gaat hij naar de dokter die een vonnis uitspreekt over zijn neurose.

Hoofdstuk 16 - een noodlottig eind

De enige manier om te herstellen van zijn neurose, is om terug te keren naar Parijs en weer te leven onder de mensen: een doodvonnis voor Des Esseintes, die niet om kan gaan met mensen en het leven in het algemeen. Het blijkt een noodlot, zijn noodlot, en dat maakt dit boek ook nog wat naturalistisch.

Laat een reactie achter